Basketbal neemt een belangrijke plaats in tijdens de lessen L.O. op het Erasmus College. In elk schooljaar staat in de periode herfst-kerst basketbal centraal. In jouw eerste schooljaar leer je de basistechnieken, en -tactieken. In de jaren die daarop volgen verbeter je die technieken en tactieken en leer je er andere technieken, tactieken bij.
Het basketbal wordt je aangeleerd op een half veld (4-4). Als je het goed beheerst ga je basketballen op een groot veld (5-5)
Na de kerstvakantie volgt er een sportdag basketbal. Op de sportdag speel je op een groot veld en moet je de regels goed weten. Hieronder volgen de belangrijkste regels.
Het officiële veld

4-4
Basketbal word je aangeleerd op een half veld
De zaal wordt in tweeën gedeeld. Er wordt gespeeld in de breedte van de zaal of in de lengte van de zaal op 1 basket.
Uit (bal buiten het speelveld):
- De bal is ‘uit’ als hij de lijn of een voorwerp buiten de lijn raakt. Dat geldt ook voor een speler die met de bal in zijn handen buiten het veld staat of stapt.
- Wanneer de bal de muur geraakt heeft. (Dus ook als je op de basket schiet en hij niet het bord raakt, maar de muur ernaast)
- Als de bal over de achterlijn is uitgegaan moet de bal daar worden ingenomen. Wel naast de bucket en dus niet onder het bord.
De tegenpartij moet de bal ingooien vanaf de plaats waar de bal is uitgegaan
Persoonlijk contact
- Basketbal is een non-contact sport
- Als een speler in het spel opzettelijk een tegenspeler aanraakt, bijvoorbeeld door hem op de arm te slaan of te duwen, dan heet dat een persoonlijke fout.
Als de scheidsrechter fluit voor een p mag de tegenstander de bal vanaf de zijkant ingooien vanachter de lijn.
Second-dribble
- Een speler die dribbelt en dan stopt, mag niet weer gaan dribbelen. Hij moet de bal afspelen of een doelpoging doen. Gaat hij toch dribbelen, dan is dat fout. Dat heet second dribbel
- Als een speler de bal met twee handen stuit, geldt dat alsof hij de bal vangt en meteen weer stuit. Dat is dus ook second- dribbel
Loopregel
We splitsen deze regel in 3-en
- De loopregel van het dribbelen: De speler mag altijd lopen met de bal, als hij
- de bal maar stuit. We noemen dat dribbelen. Belangrijk is wel, dat als de speler begint met lopen, hij eerst de bal moet stuiten. Als je dat niet doet is het een loopfout.
- De loopregel van het stoppen: Als je dribbelt met de bal en je stopt, dan mag je nog 2 passen maken. Je moet de bal wel in de lucht vangen. We noemen dit het 1-2 ritme.Je kan ook stoppen in een 1-tel stop. Je mag daarna nog kiezen met welke voet je gaat pivoteren.
- De loopregel van de lay-up: Als je een doelpunt wil maken vanuit een dribbel kan je het beste gebruik maken van datzelfde 1-2 ritme. Deze techniek noemen we de lay-up. Met de tweede pas spring je omhoog om dichter bij de basket te komen. Zo gooi je vaker raak.
Pivoteren
- Pivoteren betekent: rondjes draaien om je voet die je als eerste neerzet in een 1-2 ritme.Deze noemen we de pivotvoet. Als je toch die voet optilt maak je een loopfout.
- Als je een 1-tel stop hebt gemaakt mag je kiezen welke je pivotvoet wordt.
Sprongbal
- De wedstrijd begint altijd met een sprongbal. Er staan 2 spelers klaar in de cirkel (meestal de langste) aan de kant van de eigen basket (waar je moet verdedigen.Tijdens het spelen op een half veld wordt er een denkbeeldige lijn getrokken. De bal wordt netjes een stukje opgegooid door de scheidrechter (als dit mislukt gooit de scheidrechter overnieuw). De bal wordt door 1 van deze twee spelers weggetikt (dus niet gevangen) Je mag de bal 2 keer achter elkaar tikken.
- Als tijdens het spel 2 spelers de bal samen vasthebben en deze een aantal seconden vasthouden fluit de scheidsrechter. De bal wordt dan uitgenomen door de partij die na de sprongbal geen balbezit kregen. De volgende keer dat dit voorkomt mag de andere partij de bal uitnemen. (aan de zijkant)
Scheidsrechter
- Bij het basketbal wordt er door jullie zelf gefloten. Je moet ervoor zorgen dat je tijdens de uitleg goed oplet, zodat je het begrijpt en dus een wedstrijd kan leiden.
- Je vindt het zelf ook leuk als er goed gefloten wordt dus doe je best
- Wees er actief bij betrokken
- Fluit kort en krachtig
- Let goed op wie als laatste de bal aanraakt voordat hij uitgaat. De andere partij mag de bal innemen
- Een veldscore is 2 punten.
5-5
Op het Erasmus College hebben we kleine zalen waar de zijlijnen tevens de muren zijn. In het echt wordt er gespeeld op een groter veld. In de eerste klas hangen de borden op 2.60 hoogte.
Er is 1 regel die erbij komt als er op een groot veld gespeeld wordt
3 seconden regel
- Deze regel geldt alleen voor de aanvallende partij(je bent in balbezit) in de bucket van de tegenstanders
- Als een speler bezig is met een aanval, dan mogen zijn ploeggenoten en hijzelf niet langer dan 3 seconden in de bucket van de tegenpartij staan.
- Als er wordt geschoten gaat er een nieuwe 3 seconden regel in. In een aanvallende actie hoef je niet voor 3 seconden te fluiten. Je mag dus in de bucket blijven staan als jij of een medespeler binnen 3 seconden probeert te scoren.
De tegenpartij mag de bal innemen.
Er zijn nog een aantal regels waar wij niet mee spelen, maar als er echt gebasketbald wordt wel:
- De basket hangt op een hoogte van 3.05meter

Je moet met 5 persoonlijke fouten uit het veld
De speeltijd is 4 * 10 minuten levende tijd
Een aanval mag maar 24 seconden duren.
Je moet binnen 8 seconden over de middenlijn gedribbeld zijn
Je mag de bal maar 5 seconden vasthouden nadat je hebt gedribbeld.
Als je achter de driepunterslijn vandaan raakt krijg je 3 punten
Vanaf een vrije worplijn scoren krijg je 1 punt.
Techniek
De volgende basisvaardigheden krijg je in het eerste jaar aangeleerd:
- Dribbelen
- Stoppen en pivoteren
- 1 tel stop en 2 tel ritme
- Lay-up en set shot
Tactiek
Verdediging:Zorg er altijd voor dat je van te voren afspreekt wie je verdedigt. Tijdens het spelen moet je deze persoon altijd blijven verdedigen. Dit noemen we een man-to-man verdediging. Je moet ervoor zorgen dat hij/zij de bal niet krijgt of niet op het bord kan schieten. Als dit wel gebeurd moet je de bal rebounden (afvangen)
Aanval: In de aanval bij 5-5 staan we in een hoefijzeropstelling. Er is een persoon die de bal opdribbelt (GUARD) 2 snelle personen die links en rechts van de guard staan (FORWARDS) en 2 lange mensen die links en rechts laag staan (CENTERS)