| |
|
Softbal wordt gespeeld met 2 ploegen van 9 spelers. Er is een slagpartij en een veldpartij.Op het veld liggen 4 honken in een vierkant.
In het midden hiervan ligt de werpplaat. Hier staat de werper (Pitcher).
De slagman staat bij het 4e honk dat de ’Thuisplaat’ heet.
De Pitcher gooit de bal naar de thuisplaat en de slagman probeert deze dan in het veld te slaan. Wordt er raak geslagen dan wordt de slagman een honkloper en mag hij samen met de andere honklopers proberen via honk 1,2 en 3 naar de thuisplaat te rennen. Een honkloper die de thuisplaat bereikt scoort een punt.
De spelers van de veldpartij proberen dit te voorkomen door zoveel mogelijk honklopers uit te maken. Als je op een honk staat ben je als loper veilig. Lukt het de veldpartij 3 man uit te maken dan wisselen de slag- en veldpartij.
Het veld

Veld: Er staan 9 spelers in het veld. De honkafstand is 16-20 meter en de werpplaat ligt op
9-11 meter.
Om op één veld te spelen heb je nodig: 3 honken / 1 werpplaat /
1 thuisplaat / 2 catchermaskers / 1 bodyprotector / 2 knuppels /
3 pionnen / +/- 3 ballen en genoeg handschoenen voor de veldpartij.
- Het ‘Pitchen’ en ‘Catchen’
De bal wordt in het spel gebracht door de ‘Pitcher’. Deze moet daarbij met 2 voeten op de werpplaat staan. Hij mag vervolgens 1 pas naar voren maken en de bal onderhands opgooien. De pitcher gooit de bal altijd naar de ‘Catcher’.
Dit is de speler van de veldpartij die gehurkt, net buiten bereik van de knuppel, achter de thuisplaat zit. De catcher draagt altijd een masker en een bodyprotector. Er mag pas aangegooid worden als iedereen klaar zit en de scheidsrechter zegt: “spelen”. Wanneer een bal tussen de oksel- en knie hoogte over de plaat gegooid wordt is dit een ‘slag’ (ook als de slagman niet slaat). Wordt de bal te hoog of naast de plaat gegooid dan is deze ‘wijd’. Slaat de slagman hier toch op dan telt deze als slag.
De slagman heeft recht op 3 slagballen. Op de eerste goede of de derde misslag moet hij lopen. Heeft de catcher de bal na de derde misslag gevangen dan is de slagman direct uit.
Worden er 4 wijdballen gegooid dan krijgt de slagman een vrije loop naar het 1e honk. Hij mag dan niet worden uitgemaakt.
- Het Slaan
Iedere bal die na een slag in goed gebied terechtkomt wordt als goede slag gerekend. Sla je de bal in fout gebied dan mag je niet lopen. Zo’n slag heet een ‘Foutslag’.
Bij een foutslag geld:
- Voor het binnenveld (gebied binnen de honken) is de plaats waar de bal tot rust komt bepalend.
- Voor het buitenveld (gebied achter de honken) is de plaats waar de bal voor het eerst de grond raakt bepalend.
Een foutslag telt als slag als het om de eerste of om de tweede poging gaat.
De derde of volgende pogingen tellen niet als slag.
Na een foutslag ligt het spel ‘dood’. Alle honklopers moeten terug naar het honk waar ze stonden en mogen niet uitgemaakt worden.
Iedere bal kan door de veldpartij gevangen worden (ook een foutslag). De slagman is dan direct uit.
Na het slaan moet de slagman zijn knuppel neerleggen (niet gooien)!!
Wanneer is een slagman uit?
-
Bij een vangbal.
-
Hij slaat de 3e slag mis en de catcher vangt de bal.
-
Hij wordt uitgetikt / gebrand
- Honklopen
Zodra de bal in het veld geslagen is moet de slagman lopen. Dit heet een ‘gedwongen loop’. Hij moet nu proberen via het 1e, 2e en 3e honk de thuisplaat proberen te bereiken. Wanneer dit lukt, dan krijgt de slagpartij 1 punt (ook bij een homerun).
De honkloper moet alle honken die hij passeert aanraken!
Op het 1e honk en op de thuisplaat mag de loper uitlopen. Op het 2e en 3e honk mag dit niet en moet de loper dus contact houden met het honk. Laat hij het honk los dan is hij niet meteen uit maar kan hij uitgetikt worden.
Honklopers mogen elkaar niet inhalen. Gebeurt dit toch, dan is de honkloper die inhaalt uit. Ook mogen er geen 2 honklopers op 1 honk blijven staan Als dit toch gebeurt dan is de laatst aangekomen loper uit.
De honklopers mogen zodra de pitcher de bal heeft losgelaten proberen het vogende honk te bereiken. (“stelen van een honk”). Als de honkloper zijn honk heeft losgelaten voordat de pitcher de bal geworpen heeft, dan is hij uit. Verder geld dat er geen honk gestolen mag worden bij een foutslag en pas nadat de bal gevangen is.
Zodra de pitcher met de bal weer op de werpplaat staat, moeten de honklopers een keuze maken: ‘door’of ‘terug’. Ze mogen dan niet meer heen en weer en als ze blijven staan , zijn ze uit.
- De Veldpartij
De veld partij kan een honkloper tussen de honken uittikken. De veldspeler moet de loper tikken met de hand waarin hij de bal heeft. Als hij de bal laat vallen tijdens het tikken is de honkloper niet uit.
Een veldspeler kan de honkloper ook uitbranden. De veldspeler moet dan met de bal het honk aanraken waar de honkloper gedwongen is heen te gaan. Alleen bij een ‘gedwongen loop’ kan je een honkloper uitbranden.
|
|